Tau Teh Tsjing

.

Begin jaren tachtig, in de tijd dat ik in Den Haag resideerde en daar een flutopleiding aan de Katholieke Sociale Academie al snel weer beëindigde, was een geestelijke ervaring er verantwoordelijk voor dat ik op zoek ging naar een verklaring daarvoor. Op een avond was er een vriend op bezoek en bij zijn vertrek zei ik hem: ¨ik weet niet wat het is maar ik heb een sterk voorgevoel dat er zeer binnenkort iets van belang te gebeuren staat¨. Hij was nog maar net vertrokken en ik had weer achter de tikmachine plaats genomen toen ik plots bezocht werd door meerdere overweldigende flitsen van helderheid, alsof mij op tijdloze wijze inzicht vergund was in de diepste en subtielste structuren van de vormenwereld. Het betroffen geen inzichten die ik meteen wel even in woorden om zou zetten, integendeel, taal kwam hier volstrekt tekort en ik had geen idee hoe de evidenties die mij zichtbaar waren geworden nader te duiden op een wijze die voor mijn omgeving verstaanbaar zou zijn. Er waren drie of vier van die enorme optaters van inzichten voor de eerste ontsteltenis weer enigszins kalmeerde en ik op bed ging liggen in de hoop verder tot rust te komen. Ik sloot toen mijn ogen en keek in een sluis die in een kromming lag en het einde, waar het donker donkerder dan het donkerste was, mijn hevige schrik opwekte. Ik meende: als ik in deze toestand verblijf en die sluis doorga dan word ik stapelgek ofwel ik zal de dood treffen. Ik ben snel opgestaan en het duurde uren voor ik weer durfde te gaan liggen om dan toch eindelijk wat slaap te vatten. Dit speelde in februari 1982.

De volgende dag was de onrust nog altijd bij me en niet alleen die volgende dag; zeker een half jaar en mogelijk zelfs langer werd mijn vermogen om me uit te drukken hevig op de proef gesteld. Wat hier gebeurd was kon ik niet rationeel duiden en in logische verbanden overdragen; ik stamelde maar wat als ik dit al probeerde. De dag na het visioen ging ik de Haagse binnenstad in en bij de Slegte vond ik een boekje van H. van Praag dat handelde over paranormaal bewustzijn. Ik bladerde er wat in, was zeer dorstig naar een paar woorden van herkenning die bevestigde dat ik niet gek geworden was maar bewezen dat mijn ervaring er een was om me niet langer zorgen over te maken. En toen gebeurde het. In dat boekje citeerde van Praag enkele strofen uit de Tau Teh Tsjing van Lau-Tze die me rechtstreeks in het hart raakten! Geen twijfel mogelijk: ik moest dat boekje zien te verwerven en dat lukte diezelfde dag zonder problemen. Uitgeverij Ankh-Hermes had een vertaling door J.A. Blok uitgebracht, een klein handzaam boekje dat ik vanaf die dag als een schat koesterde.

Tau_Teh_TsjingHet verhaal ging, —historici hebben hier verschillende lezingen over lopen —, dat Lau-Tze de wereld achter zich wou laten om als heremiet in de bergen verder te leven, maar bij de grens werd hij door een douanebeambte tegen gehouden. Hij mocht wel passeren, maar aangezien hij als wijze bekend stond en zo zijn inzichten voor de wereld verloren zouden gaan, eiste de douanier dat hij, om doorgang te verdienen, zijn inzichten eerst op schrift zou stellen. Lau-Tze stemde hier mee in en zo is het zeer gewaardeerde manuscript tot stand gekomen, aldus vertelt de geschiedschrijving. Het werkje opent met de beroemde woorden:

¨Tau, dat gezegd kan worden, is niet het eeuwig Tau.
De naam, die genoemd kan worden, is niet de eeuwige Naam.¨

Het was meteen een enorme opluchting dit te lezen! Dat ik mijn geestelijke ervaring niet kon duiden was in dit licht zo gek nog niet; het vervolg van deze strofe versterkte deze indruk alleen maar:

¨Onnoembaar, is het oorsprong van hemel en aarde;
Noembaar, aller dingen moeder.
Durend begeerteloos, zien wij zijn in-wezen.
Durend begerende, zien wij zijn grens.
Beiden in oorsprong gelijk, in naam verschillend.
Die gelijkheid heet diep, de diepte der diepten;
van al het onzienlijke is het de poort.¨

Ik had het gevoel dat dit boekje mij tegen de waanzin beschermde; in mijn omgeving verstond niemand wat ik zeggen wilde en in dit werkje stond het! Het kleinood ging overal mee naar toe en waar ik er ook in las viel ik uit het beperkte bewustzijn in een alomvattend besef dat door niets kon worden aangetast. Alleen als ik het communiceren wilde stuitte ik op schijnbaar onoverkomelijke problemen. Ik was een zoeker geworden en las geschriften van het Toaïsme, Zenboeddhisme, Jiddu Krishnamurti en vele anderen, kortom: een hele nieuwe wereld ging open die veel verder keek dan de katholieke priesters op de kansels voor mogelijk hielden. In mijn jeugd had ik met mijn ouders in gesprekken vaker beweerd dat het er mijn inziens niet om ging Jezus blind te geloven maar dat hem te volgen betekende dat we geacht werden het inzicht dat daarvoor nodig is ook eigen te maken. En nu las ik boeken die stuk voor stuk dit standpunt deelden: het gaat niet om geloof maar om inzicht! Dit voelde als thuiskomen.

Tau ( of Tao; ik hou in dit stuk de spellingswijze van mijnheer Blok aan ) wordt vertaald als de Weg of de Natuur der dingen, maar ja, dan hebben we het alweer gedefinieerd en eigenlijk is dat niet nodig. Teh wordt vertaald als Deugd maar anderen zeggen dat het eerder Kracht betekent. Dat kon me allemaal niet zoveel schelen, de termen kregen vanzelf hun lading binnen de context van deze wonderlijke poëtische teksten vol metaforen. Ik kon me er in baden en verschonen; het was bepaald geen exacte wetenschap maar eerder een besef van het hart dat van mij als lezer werd gevraagd. Omdat het woord het ding niet was konden de woorden als verwijzingen gezien worden, pointers naar je ware natuur die je intuïtief kon aanvoelen en realiseren. Het was dan ook niet gek te ontdekken dat er buitengemeen veel vertalingen van dit werk bestaan. Op een dag was ik bij een spiritueel leraar in huis toen hij wees naar een kast zeggende: ¨in deze kast staan alleen maar vertalingen van de Tau Teh Tjing¨. Ik was onder de indruk van al die volle boekenplanken maar nog meer toen hij wat boeken weg nam en erachteraan zei: ¨zie je, op iedere plank staan ze ook nog eens twee rijen dik!¨

Het boek is altijd, de 32 jaar die na het visioen volgden, in mijn aandacht blijven komen om me te ontroeren. Ik was altijd erg gecharmeerd van de vertaling die Stephen Mitchell heeft verzorgd, waarvan ik een Nederlandse versie had. Tau staat voor het Ontvankelijke, het Vrouwelijke, dat bleek uit iedere vertaling die ik las. Op een dag kwam ik op internet een verwoording tegen die ik heel vaak geciteerd heb, en waarmee ik graag besluit omdat deze me zo eenvoudig de kern van de zaak toont.

¨De Geest van het Dal sterft nooit.
Ze wordt de Geheimzinnige Vrouw genoemd.
En de deuropening van de Geheimzinnige Vrouw
Is de bron waaruit Hemel en Aarde ontspringen.
Ze bevindt zich altijd in ons.
Put uit haar zoveel ge wilt, ze valt nooit droog.¨

.

Advertenties

Over Joost Lips

https://bodemlozebeeldentuin.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in non-dualisme, proza en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s