Woongenot en leesplezier

.

Het gehele appartement, dat vele jaren als een puinhoop kon worden aangemerkt, is aangepakt en behoorlijk opgeknapt, in ieder geval genoeg om het mij zeer naar het zin te maken. De woonkamer is een heerlijke plek, oogt ordelijk en heeft de swung van een Feng Shui deskundige meegekregen. Nee, die laatste is niet ingehuurd; ik ben zelf ernstig in de weer met meubels verschuiven en afbeeldingen verhangen tot alles gevoelsmatig de juiste orde vertoont en rustgevend op de toeschouwer werkt. Oké, smaken kunnen verschillen maar volgens mij zou ik het niet onaardig doen als binnenhuisarchitect. Heel veel van mijn spullen zijn op straat gevonden maar dat zie je er toch niet aan af. Ik heb in mijn jeugd wel eens een artikel in het blad Eigen Huis gezien dat mij zeer interesseerde; de foto’s toonden een huis dat volledig was ingericht met spullen die aan grof vuil langs de straatkant waren onttrokken. Ik hou daar van. Ouwe troep nieuw leven inblazen. Als me dat op mijn ouwe dag ook met mijzelf lukt zal je mij niet horen klagen.

De werkkamer, waar mijn oude computer staat, bevalt me ook zeer. Dat was nog wat om daar internetverbinding te realiseren. Begin deze week had ik de oude Packard Bell desktopcomputer met toebehoren vanuit de woonkamer erheen verhuisd met een stoel op wieltjes maar toen daar alles eenmaal aangesloten was werd het signaal van de router niet herkend. Ik heb vervolgens alle instellingen in Ubuntu gecontroleerd maar dit bleef zonder gewenst resultaat. Op een gegeven moment ben ik weer naar de woonkamer getogen om een map uit een kast te trekken waarin zich de handleiding van de computer bevond. Terwijl ik erin keek en zo gauw niets over draadloze verbinding las sprak een vriendin die thee was komen drinken de verlichtende woorden: “de computer is oud; toen was er waarschijnlijk nog geen draadloze verbinding mogelijk”. Inderdaad ja, daar leek het verdomd veel op. Die indruk werd versterkt toen ik ergens in de handleiding het kopje las: E-mail, wat is dat? Ik ben 20 meter ethernetkabel gaan halen en twee uur later was de verbinding met het wereldwijde web wel een feit.

Alles gedaan; rust in de tent. Zo kon lezen me weer een lust worden. In veel perioden van mijn leven was ik te onrustig een film uit te kijken of een boek te lezen maar dat is nu anders en een prettige omgeving helpt daarbij. Noemde onlangs al de gedichtenreeks in drie delen die Gerrit Komrij heeft samengesteld; duizenden pagina’s gedichten van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw. Heel veel moois daarin. Toen ik onlangs met iemand sprak over het effect dat hashish en wiet op het brein en de beleving hebben benoemde ik dat de gebruiker tijdens de consumptie vuurwerk kan meemaken en bijgevolg denken dat er sprake is van bewustzijnsverruiming; achteraf echter moet steeds weer worden vastgesteld dat het om bewustzijnsvernauwing ging. Prompt vond ik daarop een poëem van Bart Chabot dat dit prachtig illustreerde:

*

THE EARLY SEVENTIES

’s Ochtendsvroeg
deed ik al hasj
in m’n yoghurt

Had je een drukke dag
als je een brief
moest posten

*

Zeer gecharmeerd weer van Charles Bukowski en zijn boek Kind onder Kannibalen. Mijn goedheid wat kan die man adequaat schrijven! Korte zinnetjes met steeds beknopte informatie en flitsende dialogen vormen tezamen een tekst die leest als een trein. En das opmerkelijk voor mij want die trein rijdt niet zo snel omdat meestal een auteur mij onderweg verleidt zijn techniek nader te bestuderen. Maar bij Bukowski vergeet ik dat ik een boek in handen heb. Ik was proza van Fernando Pessoa aan het lezen, een schrijver die ik toch zeer hoog heb staan, maar raakte vermoeid van het Boek der Rusteloosheid, voelde de beschreven zinloosheid der dingen als een teveel doorgedreven concept aan en legde het werk weg om in de trein van Bukowski te stappen, waar ook zinloosheid een grote rol speelt maar in ieder geval flink wat te lachen valt.

Morgen moet ik nog twee sollicitaties doen, dan weer vier weken vrij van die plicht en geen appartement die nog klusbehoeftig is. Ik zal de ochtend daarop starten met het manuscript hier in de werkkamer waar ik vrijelijk alle kladschriften en ideeën aan het weken terug aangehechte behang voor mij prikken kan zodat de atmosfeer hier geheel in het teken van het werk zich ontwikkelen zal. Het lezen van boeken met proza mag dan op de achtergrond geraken want ik wil geen epigoon van wie dan ook zijn en de sfeer van beleving een oorspronkelijke taal bezorgen. Ik wil werken in de ochtenduren met, als het zo loopt en de energie ervoor aanwezig is, een uitloop in de middag. De avonduren zal ik benutten om verder te gaan met het verzamelen van de gedichten die ik voor publicatie geschikt acht.

Dat veel mensen denken dat poëzie moeilijk is en niet leuk of op andere wijze te genieten vind ik jammer. Zoals ik het jammer vind als mensen moderne kunst maar rotzooi vinden en daarmee de schitterende kinderlijke spontaniteit in het scheppen te grabbel gooien en onbenut in het eigen leven laten. Ben dan ook erg blij als ik een ander weet te verleiden zelf eens te schilderen of een woord of wat te schrijven in een dagboek of iets dergelijks. Ben verheugd als ik, zoals afgelopen week weer, iemand opeens zie ontdekken dat poëzie niet die grijze muis is die je op school werd wijs gemaakt maar levende taal die direct tot het hart spreekt. Ze las Toos Tellegen en tranen gingen over haar wangen bij de volgende woorden.

*

IK MOCHT KIEZEN
Ik wist het niet.
Ik koos de vrede.

De waarheid en de schoonheid,
ik liet ze gaan,
en ook de wijsheid en de weemoed ―
zelfs de liefde
die zo verwonderd naar mij keek,
zwarte wolken dreven met haar mee.

Vrede, het was vrede.
En in de verste hoeken van mijn ziel
dansten wezens
waarvan ik zelfs nog nooit had gehoord!

En in de hemel hing een andere zon.

*

Poëzie kan ook zeer schrijnend zijn. Gedichten van Bert Schierbeek en Herman de Coninck bijvoorbeeld, over het verlies van de geliefde door een ongeluk, vind ik buitengemeen indringend. Een wonder dat er voor zoveel pijn zulke eenvoudige en treffende woorden gevonden konden worden. Catharsis doorleven is dit. Poëmen over liefde hebben altijd in hun slipstream verzen over liefdesverdriet door verlies. De dood is onomkeerbaar en keihard in deze maar de geliefde is zo in ieder geval niet aan ontrouw verloren gegaan. Dat is bijkans nog erger. Er zit een vreemde schoonheid in de dood die me naar begraafplaatsen laat trekken op onvoorspelbare momenten. De geliefde verliezen als ze nog leeft, aan een ander, is op een bepaalde manier pijnlijker omdat er gevoelens van verraad bij spelen. Getuigenis daarvan gaf, en daar besluit ik mee, Mickey Walvisch. Een dichter, mij eerder onbekend, die heel krachtig met meest eenvoudige gedachte de bijpassende emotie aan de lezer weet te ontlokken.

*

DEZELFDE

’t Ergste vind ik
Dat je geen andere gebaren ter beschikking hebt,
Geen andere ogen,
Geen andere stem,
Dat je precies dezelfde zult zijn bij haar.

*

Advertenties

Over Joost Lips

https://bodemlozebeeldentuin.wordpress.com/
Dit bericht werd geplaatst in poëzie, proza en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s