Oogluikend avontuur

.

Met Matthieu was het altijd uitkijken geblazen; hij kende onvoorspelbare buien wat kon uitlopen op een vrolijk tumult maar als je pech had dan had je ook goed pech en sloeg hij door in een blind negativisme waar de honden geen brood van lusten. Je wist eigenlijk nooit waar het op uit zou draaien; deze sjofel geklede jongeman met charmante glimlach kon door geringste factoren een gezellig samenzijn omtoveren tot hel op aarde. Hij mocht graag drinken, en veel ook, en ook al vertelde hij wie het maar horen wilde dat hij er zo goed tegen kon, er klopte geen ene reet van en het eerste glas was in feite reeds vol risico dat het op levensgevaarlijke taferelen zou uitdraaien. Maar dat kon ook al zonder drank. Op een dag reden we over de snelweg in zijn lelijke eend; hij was trots op dat waggelende karretje dat bijna uit elkaar spatte van alle resonanties als hij plankgas het asfalt over snelde. Autorijden op zich kon hij wel, maar hij vergat wel eens zijn medicijnen tegen zijn mentale kwaal en dan zag je vaker zijn ogen rollen en bleef alleen het oogwit enkele seconden zichtbaar. Tijdens gesprekken leerde ik hieraan inschatten dat psychose op de loer lag; het gaf me een houvast om te weten wanneer een punt aan de ontmoeting te draaien. Maar geloof me, toen we met die brik van hem ruim honderd over de drukke snelweg raasden, was ik er niet bepaald gerust op dat alleen zijn oogwit langer dan enkele momenten zichtbaar was.
“Doe je ogen open klootzak!” schreeuwde ik hem toe.
“Wat bedoel je?”
“Je ogen zijn inwaarts gekeerd; wat valt er te zien aan die binnenkant van je kruin, let liever op het verkeer!” Hij haalde zijn schouders op alsof ik me over niks zat op te winden toen hups, weer zijn ogen van de weg vertrokken voor een korte innerlijke reis die hij wederom ontkende; hij had zijn eigen afwezigheid niet in de gaten. Ik had het niet meer:
“Genoeg! De eerste afslag van de snelweg af!”
“Van de snelweg af? We zijn er nog lang niet!” We waren op weg naar ik weet bij God niet meer wat maar vast stond voor mij wat ik hem zei:
“We gaan terug en we doen dit via rustige binnenwegen. Je hebt je pillen weer eens niet gevreten; heb ik gelijk of niet?”
“Zou best kunnen; kan het me niet herinneren”.
“Hier is een afslag; kom op, tis mooi geweest”. Hij had zijn tegenstand opgegeven en gehoorzaamde; we tuften weldra een dorp binnen toen hij me voorstelde ergens bier te drinken. Ik wees deze mogelijkheid resoluut van de hand en voegde eraan toe:
“Rijd eerst maar eens behouden huiswaarts dan kunnen we in Den Haag zoveel zuipen als we willen.” Zo is het ook gegaan.

Opgelucht, en er zeker van dat ik met deze gast achter het stuur nooit meer in een auto zou klimmen, zaten we achter ons eerste glas op een terras vlak bij het Binnenhof. Het was al aardig warm deze lentedag, de biertjes smaakten ons goed en al snel ontspanden we wat meer maar nog niet zozeer dat ik voorgaande episode geheel achter me had gelaten. Ik wilde er meer van weten.
“Matthieu, vertel me nou eens, wat gebeurt er met je als je pupillen naar boven draaien en ik in witte ogen zie?”
“Man, begin je er nou weer over? Maak het toch niet zo groot; het stelde niks voor hoor!”
“Het stelde niks voor?! Als je ruim honderd kilometer per uur rijdt en je houdt drie seconden je ogen dicht dan kan de verkeerssituatie zo gewijzigd zijn dat je een crash hebt laten gebeuren; noem dat maar niks.” Hij gaf geen eens antwoord; had geen enkel benul van wat ik feitelijk beweerde.
“Honderd kilometer per uur dat betekent bijna dertig meter per seconde; omringd door al dat snelle onvoorspelbare metaal om ons heen is drie seconden in je eigen trip zitten levensgevaarlijk!” Ik zag dat het niet bij hem gebeuren ging; ik overdreef en dat hij dat zo dacht kwam door een ziekte waar hij niks aan kon doen en pillen die hij niet had ingenomen, waarschijnlijk als deelsymptoom van de ziekte zelf. Ik gaf het op een schakelde over op rode wijn; een idee dat hem ook wel aan stond. Zag dat hij opgelucht was dat ik het onderwerp nu los liet. Hij had met deze ontspanning weer volop de ruimte zijn oogbollen te laten tollen in die dwaze kassen van hem. Er stak een briesje op, ik rilde en stelde voor verder te gaan, naar een kroeg ergens binnen. Hier begon ons zwalken; allebei ondervonden we dat het zonnetje in combinatie met de drank een aardig impact op onze bloedsomlopen had gehad; nu we opstonden werden de effecten pas goed duidelijk.

De eerste kroeg waar we ingingen ademde een goede sfeer maar ik merkte dat ik me veel te opgelaten voelde om hiervan te genieten; innerlijk liep ik bij binnenkomst nog te mokken over een reeds mislukte ontmoeting en ik begreep niet goed dat ik deze niet af brak. Ik wou hem, die er niets aan kon doen dat ie was wie ie was, niet nog een keer voor de kop stoten; denk dat dat het was. Hoe dan ook, ik graaide mezelf bij elkaar en zag de barman muziek uitkiezen op zijn computerscherm. Ik riep hem toe, in een poging mijn sociale raderen weer draaiende te krijgen:
“Kun je Lovesong van Adele laten spelen?” Ik zag dat hij me gehoord had en opeens een andere kant op scrolde; toen gaf hij me te verstaan:
Lovesong van Adele bestaat niet.”
Lovesong van Adele bestaat wel.”
“Nee hoor; staat er niet bij”.
“Omdat ie niet in je lijstje staat bestaat ie niet?”
“Nee, bestaat niet”.
“Nou, dan heb ik een nieuwtje voor je: deze song van Adele bestaat wel, dus je liegt”. Ik wist het meteen; die laatste toevoeging was er een teveel. Matthieu had het allemaal onbetrokken aangehoord maar die bargozer nam me nu op met een vertrokken valse smoel van heb ik jou daar en zei:
“Jij kunt maar beter deze tent verlaten; bij binnenkomst zag ik al dat je chagrijnig was”. Ik besefte ogenblikkelijk de waarheid hiervan maar wilde niet toegeven aan zijn voorkomen en toon dus ik zei:
“O?” en liep de tent uit; Matthieu volgde mij en die barvent wierp me nog even na dat ik hier ook nooit meer hoefde te komen.

Huiswaarts!, dacht ik toen omdat niks lukte, maar ik zei wat anders tegen Matthieu. Ik stelde hem voor nog even naar dat hardrockcafé te gaan op de Denneweg, daar mocht je vast ook wel blowen. Matthieu stemde in en zijn stille tocht sloeg nu dan toch eindelijk om in praatjes. Want dat was het met Matthieu; zijn onvoorspelbaarheid kon ook, binnen een schijnbaar verloren situatie, opeens leven en vrolijkheid brengen waar niemand meer op gerekend had. Je wist het nooit; ik wist het ook nu niet; dit bepaalde de aantrekkelijkheid van omgang met hem. Hij had het over een manuscript waar hij mee bezig was, dat weliswaar niet zo wilde lukken omdat hij feitelijk nooit iets meemaakte, maar dat aan de andere kant veelbelovend was juist omdat hij nooit iets meemaakte. Ik vond het allang best dat hij weer was gaan praten. En toen we de kroeg eenmaal bereikt hadden ging hij meteen voor de whisky. Nu stemde ik eens met hem in en Matthieu was snel begeesterd door het spul. Hij begon hardop opmerkingen te maken over het interieur, schilderijen die er hingen en mensen die binnen kwamen. Hij was kritisch, arrogant en verre van complimenteus. Ik, die nu vooral zwijgende waarnemer was, was lichtelijk ongerust maar vooral ook benieuwd hoe dit aflopen zou. Matthieu, dat had ik wel al gezien, kreeg de speciale aandacht van de barkeeper zoals de barkeeper de mijne. Op een gegeven moment zei ik tegen die kerel:
“Heb je er bezwaar tegen dat er op openbare plekken openbaar gesproken wordt?” Dit was duidelijk in de roos want meteen kwam mijnheer de kastelein van achter zijn tapkast vandaan om ons beiden de deur te wijzen. Het idiote was dat ik een impuls kreeg die mij voorheen onbekend was: eenmaal buiten en toen het heerschap mijn kraag had losgelaten meende ik me even snel om te draaien om hem een enorme knoepert van een dreun te verkopen en terwijl ik nog meende aan te leggen hiertoe bevond ik me op straat met een bloedend ooglid, die na ziekenhuisbehandeling in de nacht, weldra zou sluiten bij waakbewustzijn, vergeten worden door de slaap en toen, weer wakker, keek ik in de spiegel en dacht: was het dit waard? Nou ja, zag ik me toen lachen van de pijn, die kerel was veel te groot voor mij, maar ik had in ieder geval een goed verhaal.

.

About these ads

Over Joost Lips

http://aanwezigindezestap.wordpress.com/ ******* http://joostlipsphotography.wordpress.com/ ******* http://joostlipsphotography.fotoport.nl/
Dit bericht werd geplaatst in proza en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

4 reacties op Oogluikend avontuur

  1. Th Balvers zegt:

    Zeer lezenswaardig door de dialogen. Ik verheug me nu al op de onze….
    (Stuur je heden nog een email over precieze afspraken)

  2. Joost Lips zegt:

    Ik hoop ook om de dialogen heen.

  3. Th Balvers zegt:

    Ik merk aan je reacties (ook elders) dat je weer scherp bent. Toch kijk ik vooral uit naar een gezellige, onderhoudende, informatieve ontmoeting (en niet naar een confrontatie..).

  4. Joost Lips zegt:

    Nee nee, Theo, ik zoek geen confrontatie; ik meet de pijlen die op mij afkomen af en kom wel eens met een samenvatting daarvan; het is de werkelijkheid noch de zin van mijn bestaan en kan zeer onderhoudend zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s